12-04-10

Witlof inzaaien

Witlof wordt rond half mei gezaaid. Er zijn vroege, middelvroege- en late soorten. De afstand tussen de rijen is 30 cm en in de rij 15. Het zaaibed moet goed fijn geharkt en vlak zijn. Witlofzaad is klein en met ongeveer 2 cm diep gezaaid worden. De geulen moeten zorgvuldig dichtgeharkt en aangedrukt worden. In een droge periode kan het verstandig zijn om plastic over het zaaibed te gooien om een betere kieming te krijgen. Een andere mogelijkheid is, om natte jute zakken over het zaaibed te leggen.


Het is dan wel noodzakelijk om in de gaten te houden wanneer de witlof opkomt. De zakken moeten direct worden verwijderd, bij voorkeur ’s avonds. Nadat de planten vier blaadjes hebben moeten ze worden gedund op 15 cm. Met een goede verzorging kunnen de planten die worden verwijderd nogmaals worden geplant. Er zullen aan deze verplante witlof meer zijtakken groeien, maar dat is voor de amateurkweker niet zo’n probleem. Al vrij snel bedekt het blad van de plant het hele teeltbed waardoor er weinig onderhoud meer is.

Bron DLV Nieuwsbrieven
 

Spitten van de moestuin

Voor een goede grond- , water- en luchtverhouding is grondbewerking noodzakelijk. Er wordt nogal eens over de grond van de tuin gelopen.
Dit is niet goed voor de grond. De grond gaat dan namelijk dichtzitten en daarom is spitten noodzakelijk om de grond weer los te maken (probeer na het spitten dan ook niet meer over de grond te lopen). Wanneer u gaat spitten kunt u vaak direct bemesten. Dit hangt wel af van de diepte die u gaat spitten en de grondsoort van uw tuin. Een nieuwe tuin zou de eerste paar jaar flink gespit moeten worden. De grond wordt dan goed gelucht en het bodem leven kan op gang komen. Kleigrond moet in het najaar worden gespit. De vorst kan dan ’s winters de grote brokstukken stukvriezen.
De eerste paar jaar gebruikt u de spade voor het spitten. Maar afhankelijk van de grondsoort kunt u daarna overgaan op de cultivator of spitvork. De spitvork is een vork waarmee de grond alleen los gemaakt wordt en niet om gekeerd, dit is beter voor het bodem leven. Denk eraan dat wanneer u met cultivator of spitvork werkt, u alleen zeer goed gecomposteerde
mest gebruikt. Het spitten is eigenlijk een vak apart. Indien u er geen slag van heeft, laat het dan liever door iemand doen, die het wel kan. De grond moet behoorlijk diep losgemaakt worden als er een storende laag in zit, is deze gebroken kun je volstaan met en diepte van 15 cm of we met groenten of met bloem en te doen hebben, maakt niet veel uit.
N .B. Onderzoek altijd eerst wat voor soort bodem u heeft. Alle activiteiten in uw tuin hangen af van de grondsoort, de structuur, het verleden van de tuin en het leven in de bodem .


Bron DLV Nieuwsbrieven
 

Koolstronken verwijderen

 U kunt vast aan het werk in de moestuin. Alle koolstronken moeten de grond uit. De meeste kool is inmiddels van de tuin verwijderd, maar de koolstronken blijven vaak nog staan. Het is belangrijk dat u deze ook verwijderd anders gaan ze straks bij het spitten onder de grond en dat moet voorkomen worden!

Aangetaste koolsoorten zijn namelijk erg gevoelig voor de ziekte knolvoet. Knolvoet herken je door de onregelmatige, knobbelvormige gezwellen die op de wortels komen. Andere symptomen zijn:
* Bij warm, zonnig weer gaan de planten overdag slap hangen en herstellen zich ’s avonds pas weer.
* De planten krijgen een loodachtige kleur.
* Jonge planten blijven klein, misvormd of sterven vroeg af.
* Zwaar aangetaste planten vallen om, breken af aan de wortelkraag en sterven af.
De schimmel kan sporen vormen die 8 jaar kunnen overleven in de grond. Alle koolgewassen kunnen worden aangetast, maar ook sierplanten en onkruiden die behoren tot de familie van de kruisbloemigen kunnen de oorzaak zijn.
Het maakt geen verschil of u op lichtere of zwaardere grond teelt, knolvoet komt op beide grondsoorten voor.
Alhoewel zwaardere gronden over het algemeen minder gevoelig zijn dan de lichte gronden.
De schimmel is gek op zure gronden en temperaturen tussen de 18 en 25 graden Celsius De aantasting is dus groter in de zomer en de herfst dan in het voorjaar.
Besmet plantmateriaal of de aanvoer van besmette grond kunnen de oorzaak zijn van knolvoet in uw tuin. De besmette grond kan aan uw zolen blijven plakken en daardoor de rest van uw tuin besmetten als u daar niet op let. Maar ook stalmest en slecht vercomposteerde organische materialen kunnen drager zijn van de schimmel. Het kan zijn dat de mest van dieren die aangetaste planten als voeder hebben gekregen de bron vormen van de aantasting in uw tuin.

Preventie
· Pas een ruime vruchtwisseling toe.
· Controleer het aangekocht plantgoed op aantasting.
· Streef naar de ideale zuurtegraad voor uw bodemtype.
· Zorg voor een goede ontwatering en verluchting van de bodem.
· Verwijder kruisbloemige onkruiden regelmatig.
N.B. Geef zieke planten en wortelstronken mee met het huisvuil. Gooi ze zeker niet op de composthoop.

Bron DLV Nieuwsbrieven

Pronkbonen

 

Pronkbonen zetten moeilijk vrucht tijdens warme omstandigheden. Zaai ze dus niet te vroeg om te voorkomen dat ze juist in de warmste maand van het jaar (augustus) gaan bloeien. Een geschikt moment om te zaaien is half juni.

Teeltplan



Eén op vier
Gelukkig kom ik steeds meer mensen tegen die de groentetuin op papier zetten om beter overzicht te houden waar welke gewassen gestaan hebben in de afgelopen jaren. De volgorde van gewasgroepen is daarbij erg belangrijk. De beste ervaring heb ik door de gewasgroepen zoveel mogelijk in te delen naar families. De nachtschadeachtige, vlinderbloemigen, kruisbloemigen en overige. In deze volgorde worden ze ook op de tuin ingevuld. Deze volgorde is bewust gekozen om veel rendement uit de grond te halen. De nachtschadeachtige (aardappelen) kunnen profiteren van de stikstof die de vlinderbloemigen (bonen, peulen, erwten) achter laten. De groep ‘overige’ is een groep waar nogal wat fijnzadige gewassen bij zitten zoals wortelen, witlof, uien, enz. Om deze zaden goed te laten kiemen is een goede bodemstructuur nodig (de aardappelen laten een mooie structuur achter). De groep ‘overige’ komt dan ook na de aardappelen. Blijft nog over de kruisbloemige (koolsoorten). Deze groep zit tussen de vlinderbloemige en overige in.
Het makkelijkste en beste systeem is de tuin in vier stukken verdelen. Dit betekent dat aardappelen één keer in de vier jaar geteeld worden. Dit is van groot belang om de opmars van aardappelmoeheid tegen te gaan. Wat de andere groepen betreft, zijn er voldoende mogelijkheden om een goede vruchtwisseling toe te passen. De groep vlinderbloemigen moet binnen het vak in tweeën gedeeld worden, omdat de peulen en erwtensoorten een ruimere vruchtwisseling moeten hebben dan één keer in de vier jaar. Als u op het vlinderbloemigenvak de bonensoorten op de ene helft zaait en de erwtensoorten en tuinbonen op de andere helft en na vier jaar deze twee helften omdraait zit u op een vruchtwisseling van één op acht. Hetzelfde doet u met het ‘overige’ vak. De uiachtigen en de knolselderij, aangevuld met eventueel de wortelen op de ene helft en de rest op de andere helft. Ook hier krijgt u dan een vruchtwisseling van één op acht. Vooral het werken binnen de vakken met teeltbedden is erg gemakkelijk voor de vruchtwisseling en bovendien is het gunstiger om nog een nagewas te telen. De makkelijkste maat is 1.50 meter inclusief pad.
Bron DLV Nieuwsbrieven