22-04-09

Werkzaamheden in april

April ’09 In de moestuin
Bron 'Van week tot week in eigen tuin' ; G.Kromdijk 1946/1972


In de moestuin beginnen we nu meer werk te krijgen. Immers, groenten die al eerder gezaaid zijn, komen nu boven de grond en moeten derhalve geregeld schoongehouden worden, terwijl ook voor opvolgende teelten gezorgd moet worden. De meeste groenten, zoals spinazie, raapstelen, sla, worteltjes, radijs, tuinbonen, erwten en peulen, kunnen nu voor de tweede of derde maal gezaaid worden. Natuurlijk gebruiken we nu niet meer de vroegste soorten, doch de volgsoorten, die over het algemeen een beetje ruimer gezaaid moeten worden. Later kunnen dan nog eens de zomersoorten gezaaid worden, die meestal nog een beetje meer ruimte nodig hebben. jonge groenten, die nu boven de grond uitkomen, zullen geschoffeld en gewied moeten worden. Het schoffelen doen we het liefst bij zonnig weer, het wieden kan het best bij een betrokken lucht geschieden, dan lijden de overblijvende groenteplantjes het minst. Mochten er al grote onkruiden tussen de groenten staan, dan zou met het optrekken van deze onkruiden ook de worteltjes van de groenten lostrekken. Dat kunt u voorkomen, door deze grote onkruiden niet los te trekken, maar met een mes juist even onder de grond af te snijden.
Peterselie zaaien.
Peterselie kan nu uitgezaaid worden. U heeft daarvan niet veel nodig, een rijtje van een paar meter is meestal wel voldoende. De zaden liggen lang in de grond, voordat ze ontkiemen, daarom verdient het aanbeveling het zaad eerst voor te kiemen. Legt u het zaad in een bakje met vochtig, wit duinzand en zet dit bakje een dag of tien op een vochtige warme plaats, daarna kan het uitgezaaid worden. De peterselie zal dan aanmerkelijk vroeger opkomen. Niet alleen dat het zaad fijn is, en u er dus niet veel van nodig heeft, doch het kruid kan ook verschillende malen in de zomer worden afgesneden, indien maar niet te kort wordt gesneden. Bovendien kan ook diverse malen gezaaid worden, zodat het mogelijk is, steeds over verse peterselie te beschikken.
Snijselderie.

De teelt van de snijselderie is vrijwel gelijk aan die van de peterselie. Tot juni kan om de drie weken een klein rijtje snijselderie uitgezaaid worden. In de eerste helft van juni kan dit nog voor wintergebruik gebeuren. U moet dan echter over een broeibakje beschikken, om ze daar in over te houden. Trouwens, peterselie kan ook de winter overgehouden worden, doch dan dient men de wortels in oktober op te nemen, waarna ze in een koude bak, vorstvrij de winter doorbrengen kunnen. Op die manier kunt u gedurende de winter ook over verse peterselie en snijselderie beschikken.
Aardappelen planten. De aller-vroegste aardappelen zitten al in de grond (Prior), nu kunnen de middelvroege soorten geplant worden. Voor het planten van de late aardappelen is het nog te vroeg (Texla resistent tegen aardappelmoeheid A. Weinig gevoelig voor schurft, bladrol- en Yn virus. Zeer hoge resistentie tegen phytophthora in loof en knol)

Reeds in maart hebt u erwten en peulen gezaaid, maar u kunt het nu nog eens doen. Met tuinbonen moet u niet te lang meer wachten. Indien tuinbonen na half april worden uitgezaaid, komt er door het warme weer over het algemeen niet veel meer van terecht.

Spinazie
kan ook nog gezaaid worden, evenals raapstelen, radijs en worteltjes, terwijl sla om de drie weken, gedurende de gehele zomer wordt gezaaid. Voor spinazie moet u nu rond zaad hebben, dat schiet niet zo gauw door als scherp zaad. Er moet nu ook een beetje ruimer gezaaid worden, anders wordt de spinazie gauw ziek.
Bieten zaaien
.
Zowel zomer‑ en winterbieten kunnen nu gezaaid worden; voor winterbieten is het nog een beetje vroeg, maar het kan toch wel. De rijtjes komen op een onderlinge afstand van zo ongeveer twintig centimeter, terwijl de zaadjes in de rij op een afstand van tien centimeter komen. Dat lijkt een beetje ver van elkaar, doch elk zaadje bestaat eigenlijk weer uit drie zaadjes, zodat er telkens een drietal plantjes te voorschijn kan komen. Die behoeven we allemaal niet te houden, de overtollige plantjes kunnen, direct na het opkomen, worden weggetrokken. U moet er wel om denken, dat de penwortel recht naar beneden moet; indien die krom of gedraaid in de grond gaat, behoeft u niet veel van uw bieten te verwachten. De diepte waarop de zaden komen is zo ongeveer vijf centimeter, hetgeen ook afhankelijk is van de meerdere of mindere vochtigheid-toestand van de grond. Indien de grond erg droog is, is het beter te wachten totdat er een regenbui komt. Mocht dit te lang op zich laten wachten, dan schuift u met de handen de droge grond een weinig opzij, zodat het zaad in de vochtige aarde komt te liggen.
Rabarber oogsten. Van de Rabarber wordt nu ook buiten volop geoogst. Het zijn niet de dikke stelen zoals midden in de zomer, doch daarop behoeven we niet te wachten, dat is niet nodig. Natuurlijk worden bij het oogsten van Rabarber eerst de dikke stelen getrokken, de zwakkere krijgen dan gelegenheid om door te groeien, waarvan ze een dankbaar gebruik maken.
Winterwortels zaaien. Met het zaaien van de winterwortels kan nu een vang gemaakt worden. Haast is er niet bij, doch indien een mooi gewas gewenst wordt, verdient het toch aanbeveling, nu te zaaien. Kunnen zo worteltjes op bedden gezaaid worden, winterwortels worden alleen op rij gezaaid, anders komen ze veel te dicht op elkaar te staan, hetgeen vermeden moet worden. De rijen komen op een onderlinge afstand van dertig cm, zodat er gemakkelijk tussen te schoffelen is. Er moet op de rijen ook niet te dicht gezaaid worden, daar ze later behoorlijk ruimte nodig hebben. Ze moeten minstens op een onderlinge afstand van twintig centimeter komen te staan. In deze tijd van het jaar is de grond tamelijk droog en hard, daarom kan het wortelzaad beter eerst vierentwintig uur in water te weken gelegd worden. Daarna doet u het in een kistje met zanderige aarde, hetgeen op een warme, vochtige plaats moet staan. Zodra het zaad gaat ontkiemen, kan het uitgezaaid worden. Indien het droog weer is, kunnen vele zaden eerst geweekt worden. Vooral indien vroeg in het voorjaar gezaaid wordt, verdient het weken van zaden zeer zeker aanbeveling. U moet er echter altijd om denken, dat deze geweekte zaden in geen geval ondergeharkt mogen worden, daar anders bij het harken de kiemen verloren gaan. Daarom moeten de zaden met een laagje aarde, dat u er overheen kunt strooien, bedekt worden.
Erwterijs plaatsen. De erwten en peulen, die we de vorige maand hebben geplant en gezaaid, zullen nu wel zo ver zijn, dat we voor het rijshout moeten gaan zorgen. Te vroeg is niet nodig, want die stokken geven maar schaduw, echter niet te lang wachten, daar de erwten anders tegen de grond slaan. Als het gewas zo ongeveer tien centimeter hoog is, moet het rijshout aangebracht worden. Tegelijk met het steken van de rijzen moeten de erwten aangehoogd worden. Dat kunt u met de schoffel doen. Aan beide kanten komt er dan een aarden walletje van ongeveer tien centimeter hoog tegenaan te liggen. Daardoor hebben de erwten meer steun, en staan ze ook een weinig tegen de koude wind beschermd, hetgeen het gewas ten goede komt. Om de kleine plantjes het klimmen te vergemakkelijken, steekt u ook wat kleine takjes tussen de grote rijzen, waartegen ze dan de eerste tijd kunnen op­klimmen. Zo komen ze later vanzelf wel tegen de grote rijzen op.
Koolkragen aanleggen
. In de tweede helft van april. en later, komen de beruchte koolvliegen uit de grond en leggen de eitjes, op verschillende planten tot de koolfamilie behorend. Indien u een tuin heeft op zware kleigrond, doet het insect minder kwaad dan op het zand, toch is het maar beter maat­regelen te nemen. Vooral de vroege bloemkool, die al op het land staat uitge­plant, heeft er veel van te lijden. Welnu, ter bestrijding van deze koolvliegen kunt u koolkragen aanleggen. die wel in de handel verkrijgbaar zijn. Deze koolkragen doen uitstekende diensten, maar ze moeten goed aangelegd wor­den, anders missen ze hun doel. De kraag moet goed tegen de stengel van de kool aansluiten, want indien er openingen zijn, of als er zand op de kragen ligt, legt de vlieg haar eitjes in de openingen of in het op de kraag liggende zand, waardoor de made dan haar weg wel weet te vinden. Koolkragen kan men zelf ook maken, doch ze kosten haast niets, zodat het de moeite niet loont er aan te beginnen.

10-04-09

Op Toene

Maandelijks verschijnt in maandblad Buurtvereniging “Ons Belang” (aangesloten de volkstuinvereniging) een stukje afkomstig van Lydia Becker(samen met haar man tuinder) over het wel en wee van de tuinders, teneinde op deze wijze mensen enthousiast te maken voor de moestuin, met als titel "Op Toene".
Ik heb haar toestemming het stukje op mijn weblog te plaatsen.

Op Toene in April
Vorig jaar rond deze tijd ontving ik een interessant krantenknipseltje uit de NRC van boerendochter Jacqueline v.d. Berg die vroeger een moestuintje had en nog steeds belangstelling heeft voor het tuingebeuren bij Ons Belang: " Aardappel die eerst hangt, groeit sneller", stond erboven (Ulrum, 4 april 2008 ) en het ging over een methode waarbij aardappelen in grote vierkante platte netten achter elkaar hangen om de groeitijd met ongeveer een week te bekorten. Aardappeltelers doen dit omdat ze de vroege oogst willen poten. Het proces zorgt ervoor dat de aardappels korte, stevige kiemen krijgen die niet in de grond afbreken. Gewoonlijk gaan hun aardappels begin maart de grond in. Maar dat kon in 2008 niet, doordat het de maanden ervoor te koud was. Volgens ]an Blitterswijk van aardappelteler De Rijnveld‑pieper heeft het latere planten geen gevolgen voor de oogst. "De maand april levert veel meer energie op clan de maand maart", legt hij uit. "Tien dagen in maart staan gelijk aan twee dagen in april. Dit verhaal komt goed overeen met wat de voorzitter dat jaar aangaf: Pootaardappelen na aanschaf thuis op een koele plaats (12‑15 graden) wegleggen tot ze kiemen. Daarna verder laten kiemen en afharden op een lichte plek. Dit om krachtige, niet al te kwetsbare kiemen/uitlopers te laten vormen. En clan begin april zo droog mogelijk in de grond. Vliesdoek erover beschermt tegen de voorjaarskou. Zet het doek wel goed vast met stenen of tegels, anders krijgt de wind er vat op en dan ben je het doek kwijt.
Met een beetje goed weer (geen nachtvorst) komen de aardappelplanten op die manier vroeger op dan normaal, hebben minder last van nachtvorst en kunnen ze al begin juli worden geoogst. Vroege aardappelrassen geven minder kans op Phytophtora en andere aardappeiziekten, waarover ik vorig jaar in het aprilnummer uitvoerig heb geschreven. Wie er als nieuw lid belang bij heeft om die tekst alsnog te ontvangen, kan zich telefonisch melden: 5349303. Als u een e-mailadres opgeeft, kan ik hem zelfs digitaal thuisbezorgen.
Maar eerst moet de grond worden voorbereid om zaden of pootgoed in ontvangst te nemen.
Het afgelopen jaar stond ik ook een poosje met een ervaren tuinder te praten terwijl hij rustig doorging met het omspitten van zijn landje. Ik keek intussen een beetje de kunst af want je kan er veel van leren als je iemand bezig ziet. Op die manier kom ik op de volgende Spitcursus voor degenen die het nog nooit eerder hebben gedaan: Eerst een mooie rechte lijn maken door de spade naast elkaar recht en diep de grond in te steken. Vervolgens nog een lijn op de afstand van de breedte van je spade. En dan de toekomstige geul, de zogenoemde spitvoor, even van zijn pruikje ontdoen: schep maar gewoon het bovenste dunne plakje grond eraf. Dat is vaak onkruid en gras en dat moet op zijn kop eerst die geul in, met wortels en al. De eerste rij heb je natuurlijk nog geen geultje waar het in kan en dan bewaar je het even tot je de eerste hebt gegraven. Daarna haal je met de spade steeds een plakje van de strook af en gooit dat bovenop het onkruid. Daarom moet die spitvoor niet breder zijn dan je spa, snap je? Zo werk je strookje voor strookje netjes het land af. Echt er komt een eind aan, al denk je tot halverwege van niet.
Heb je al mest beschikbaar? Dan scheelt het een heleboel krachtwerk als je een kruiwagen met mest in het pad zet, naast de plek waar je aan het spitten bent. ]e kunt het dan meteen in je geul verdelen en in de grond weg werken. Wat je vooral niet moet doen, is een wedstrijdje aan gaan wie het eerste zijn landje 'om heeft.' En daarvoor te grote hompen op je schop nemen. Je krijgt er een heleboel onnodige pijn van in je spieren omdat je boven je macht gaat werken en uiteindelijk ben je niet sneller klaar. Elke dag een beperkte hoeveelheid die je aankunt en tussendoor even op adem komen en een praatje maken met andere ijverige zwoegers is een beter idee. Daarom zie je ervaren tuinders na hun kwantum soms tevreden op een oude plastic tuinstoel zitten, die alleen maar op het landje staat omdat het thuis geen kijk meer was, maar waar je op toene nog best op kunt uitrusten, vooral na het spitten. En dan kun je gaan poten: Vroege Aardappels. Peulen en Tuinbonen ("olwieven tonen" zoals de heer Bossinga ze vorig jaar tegen mij noemde), allebei 'boerengroenten' die tegen vorst kunnen, zodat je ze als eerste groenten al in maart of april kunt zetten. En gaandeweg het seizoen de andere gewassen.
Zorg bovenal dat je er plezier in houdt en geen slaaf van je tuin wordt, "maar wees op je vierkante meter een vorst!‑ (Dirk Witte)

Lydia Becker