11-10-09

Werkzaamheden in oktober


Okt.. ’09 In de moestuin
Bron 'Van week tot week in eigen tuin' ; G.Kromdijk 1946/1972




Week1
Verschillende hoekjes zijn nu leeg gekomen. Laat de boel daar zo niet liggen doch ruim alles netjes op. Ook het onkruid moet nog eens uitgeroeid worde indien u dat nu zijn gang laat gaan, is de tuin vóór de winter weer helemaal groen. Het onkruid groeit lang door, daarom moet de strijd ook zo lang mogelijk volgehouden worden. Indien er dus nu een mooie, zonnige dag is, gaan alles met de schoffel en de hark na, ook al staat er niets meer op het lan Verder moeten nu de late aardappelen uit de grond zijn. Indien u ze er niet allemaal uit heeft, moet u zich toch haasten. Het weer wordt hoe langer hoe slechter, straks is de tuin één en al modder, en dan wordt het droog krijgen van de aardappelen steeds moeilijker.


Droge bonen. Droge bonen, zoals bruine bonen en citroenboontjes, moet nu naar binnen toe. Het weer wordt er niet beter op, laat ze dus niet te l& meer buiten staan. Mochten ze nog niet droog zijn, pluk dan nog een gedeelte van de bladeren af, ze drogen dan vlugger. Misschien kunt u ze ook onder e afdak te drogen hangen; doe dat dan op een plaats, waar de wind er door kan waaien. Zijn ze goed droog, zodat u de boontjes kunt horen rammelen dan mogen ze naar binnen. Indien u niet veel plaats heeft, kunnen de peul afgeplukt worden. Ze kunnen dan midden in de winter, als er anders niet vi te doen is, gedopt worden. Heeft u echter plaats, breng ze dan aan de struik naar boven, ze kunnen dan later uitgedorst worden.


Peterselie en snijselderie. Indien in augustus jonge plantjes gezaaid kunnen die nu zo ver in ontwikkeling zijn, dat ze gemakkelijk overgeplaatst kunnen worden. De hele winter buiten blijven kunnen ze echter niet, daarvoor moet u een broeibak hebben. De plantjes worden onder glas ingegraven en door de winter heengebracht. Het is voldoende indien het bakje alleen strenge vorst met een rietmat bedekt wordt. Mocht u niet gezaaid heb dan kunnen de kleinste plantjes nu worden opgenomen en in een broeikas worden ingegraven. Niet iedereen is in het bezit van een broeibak. ma er kunnen een paar plantjes bij elkaar in een bloempot gezet worden. Daar de planten nogal lange wortels hebben, moogt u gerust de helft afsnijden.


Week2
Koolstronken opruimen. Van de geoogste kool kunnen nu de stronken worden opgeruimd. Breng deze niet op de composthoop, er kunnen immers ziekten in zitten, vooral knolvoet, en deze zouden zich dan door de composthoop verspreiden. Het beste is zulke stronken maar te verbranden, als dat tenminste mogelijk is; geef ze anders met de vuilniswagen mee.


Bleekselderie. Bleekselderie moet nu verder gebleekt worden. Ze wordt dus ingepakt, zoals we dat eerder hebben aangegeven. Mocht u een broeibak heb­ben, dan worden de planten nu opgenomen en in zo'n broeibak opgekuild.


Spruitkool. Soms heeft spruitkool veel last van losse spruiten, vooral aan de onderkant kunnen er veel zitten. Het is nu tijd die losse spruiten af te plukken, de andere kunnen dan beter doorgroeien. Deze losse spruiten behoeven niet weggegooid te worden, ze zijn nog eetbaar.


Bieten rooien. Het wordt nu tijd voor het oprooien van winterbieten, dat zijn de bieten die voor de winterprovisie bestemd zijn. Dat oprooien moet zo voorzichtig mogelijk geschieden, opdat niet te veel aan de wortels beschadigd wordt. Met een schop moet het daarom liever niet gedaan worden, het gaat beter met een mestvork. Het blad mag er niet afgesneden, maar moet er met de hand afgedraaid worden; dat voorkomt sapverlies. Indien veel sap ver­loren gaat, worden de bieten bij het koken licht van kleur, hetgeen een minder aangenaam gezicht is. Bovendien zijn ze dan niet zo gemakkelijk gaar te krijgen. Bieten moeten op het land goed te drogen gelegd worden, voordat ze naar binnen mogen. U kunt ze op verschillende manieren bewaren, doch de meest gangbare is, de bieten in een hoop wit zand in de tuin in te graven. Begint het hard te vriezen, dan kan er een laag blad overheen gebracht worden. Mocht u geen tuin bij het huis hebben, dan kunnen ze ook in een kist met wit zand in de kelder of op zolder bewaard worden. De hoofd­zaak is dat ze het niet zó koud hebben, dat ze bevriezen, en niet zó warm, dat ze verdrogen of uit gaan lopen. Een temperatuur juist even boven het vries­punt is ruim voldoende.


Week3
Winterwortelen rooien. Haast is er nog niet bij, doch indien op tijd gezaaid is en de wortels nu hun normale grootte hebben, dan kan tot het rooien wor­den overgegaan. Indien uw tuin uit zandgrond bestaat, kunnen de wortels zo uit de grond getrokken worden. Het loof snijdt u af. Bestaat de grond uit klei of veen, dan zal met een vork gerooid moeten worden. U moet niet met een schop rooien, dan beschadigen de wortels te veel en kunnen ze niet be­waard worden. Na het oprooien moet u ze een paar dagen laten drogen. Ze mogen niet vochtig in de winterbewaarplaats komen. U kunt ze op verschil­lende manieren bewaren; de hoofdzaak is, dat ze niet te warm, maar wel vorst­vrij liggen. Vorst verdragen ze niet. U kunt ze in de kelder bewaren, doch ook op zolder; deze moet echter niet te droog zijn, wat met de meeste zolders wel het geval is. In kisten met wit duinzand kunnen ze goed bewaard worden. Eerst legt u een laagje zand, dan wortels, zand, wortels en zo vervolgens. Heeft u een grote tuin, dan kunnen ze in een kuil bewaard worden. Aanbeveling ver­dient het, ze in wit zand te leggen, ze rotten dan niet zo gauw. De kuil kunt u afdekken met wat stro of blad. Zodra het hard begint te vriezen, moet deze bedekking verzwaard worden. Bij open weer gaat die er af, anders zouden de wortels te veel uitlopen.


Keukenkruiden. Nu kan men keukenkruiden bestellen; doe dat bij een vasteplantenkweker. Ze verlangen een goed bemeste grond en een zonnig plekje. Bonekruid kan men zaaien, doch er is ook een overjarig soort. Bieslook en Lavas en Pimpernel heeft men ook nodig. Kruiden kan men gemakkelijk voortkweken door middel van scheuren; dat kan men nu doen, doch ook in het vroege voorjaar.


Week4
Spruiten plukken. Met het plukken van spruiten kan begonnen worden. Deze groente is evenals boerenkool het fijnst van smaak, als de vorst er een paar maal overheen is geweest. Zolang het nog niet gevroren heeft, is ze niet zo smakelijk. Natuurlijk worden eerst de grootste spruiten geplukt, de andere kunnen dan weer groeien.


Witte kool. Deze koolsoort kan niet lang buiten blijven staan, ze kan geen of weinig vorst verdragen. Ze wordt, voor zover ze niet voor het maken van zuurkool wordt gebruikt, nu van het land gehaald en op een koele zolder gelegd, waar ze het langst goed blijft. Lang kunt u deze koolsoort echter niet bewaren.


Rode kool. Indien de kool goed hard is, kan ze nu van het land gehaald worden. Ze is wel iets sterker dan de witte kool, doch veel vorst kan ze niet verdragen. Deze kool laat zich echter heel goed bewaren. Ze kan met stronk en al in een vorstvrije schuur worden opgehangen, of op zolder worden be­waard, maar meestal is het daar te droog. Indien uw tuin op hoge zandgrond gelegen is, kan ze daar ook opgekuild worden. De kolen worden dan met stronk en al opgenomen, waarna ze in een hoop wit zand bewaard worden. De stronken moeten boven de grond uitkomen. Als het hard gaat vriezen, moet de hoop met blad worden afgedekt. Ook kan er een veurtje gegraven worden van on­geveer twintig centimeter diepte, waar dan de kolen op de kop worden ingezet. Zodra het begint te vriezen, kunt u er droog blad tussen strooien. Het grote bezwaar is echter, dat de kool niet geregeld te controleren is, zodat gauw rotplekken ontstaan. Daarom is ophangen in een schuur beter, dan kan ze geregeld gecontroleerd worden.


Geen opmerkingen: